Na regen komt zonneschijn
Het is bijna middernacht en we staan voor de derde keer voor het slaapkamerraam naar buiten te kijken. De buitenlamp is weer aangegaan. En ja hoor, we kijken de boosdoener zo in zijn bruine oogjes. Hij is nog mooi ook. Minder mooi is dat deze marter de bekabeling en andere delen onder de motorkap kapot vreet. Het is nu wel helder dat Marta de marter niet doodgaat van wat kleine hapjes rattengif en dat de valletjes, niet groter dan voor een muis, ook niks uithalen. Marta heeft overigens letterlijk schijt aan Dreas zijn aanpak want op een ochtend is er ín Dreas zijn slipper …
Marta is het Spaanse woord voor marter. Marta was ook de laatste storm die afgelopen week voorbij kwam. De trein van stormen heeft een spoor van vernielingen achtergelaten. Hartverscheurende beelden van mensen in hun huizen of bij de verloren gegane oogst.
De eerste keer dat de regen flink losbarst wandelen we tijdens de regen. We willen zien hoe het water van de bergen afstroomt en geultjes vormt. Wanneer we eerst Carnita en later Manolo tegenkomen, kijken ze ons wat onbegrijpend aan. Hebben we problemen? Staan we ergens vast met de auto? Nee hoor, we willen het water zien stromen.
In de dagen die volgen, worden stroompjes hard stromende rivieren. Bruin modderwater komt dwars over de onverharde paden naar beneden storten en voegt zich dan weer bij een andere stroom. De grote kracht maakt van de geultjes diepe en brede kloven. Stenen worden meegesleurd. Zand spoelt weg. Rots wordt op veel plekken zichtbaar. Tijdens de allerergste tweedaagse komt op een gegeven moment het water langs de stopcontacten het aanrecht oplopen en dringt het water zich door de geïmpregneerde, vijftig centimeter dikke stenen muur naar binnen. Het is onheilspellend en de nieuwsberichten zijn vreselijk. Dagenlang zitten we opgesloten in huis. Tussen de trein van stormen door kunnen we één keer boodschappen halen. Carnita appt en vraagt of we wat nodig hebben. Eieren, aardappels of wat ook maar aan. Miguel appt en vraagt hoe het gaat.
Als er dan weer een droge dag komt, wandelen we de noordelijke ‘camino’. Via twee van deze ‘caminos’, onverharde landelijke wegen, kunnen wij bij ons huis komen. Over een lengte van een paar honderd meter is het pad in een rivierbedding veranderd.
Even verderop kruipt Paloma, de pup van Paco, door het hekwerk en begroet ons zeer enthousiast. Paco komt aanlopen en zegt dat als we iets nodig hebben, hij het met zijn 4x4 kan halen en het bij ons zal brengen. “¿Entiende?” Begrijp je me, vraagt hij. Terwijl hij naar de olijfbomen loopt om verder te gaan met snoeien, roept hij nog “Vecinos. Vecinos.”. Ja, ik begrijp hem. We kijken elkaar aan en beseffen, dat het spreekwoord dat een goede buur beter is dan een verre vriend, hier geen loze woorden zijn maar dat er zo wordt geleefd. Het ontbreekt ons nog steeds aan niets. We hebben ons goed voorbereid. En voelen ons bevoorrecht. Met de warmte van de mensen kan de kachel bijna branden.
Storm Marta sputtert wat na en dan is het voorbij. Alle landverschuivingen en kapotte wegen zijn nog lang niet gerepareerd maar de zon schijnt weer. In de velden om ons heen is de oogst weer begonnen. Ontelbaar veel olijven zijn met de harde wind uit de bomen gevallen en deels door het water meegenomen. Het is een soort van redden wat er nog te redden valt. Wat nog hangt wordt geoogst maar ook wat op de grond ligt, wordt eerst bijeen geblazen met bladblazers en dan opgeraapt. De opbrengst en de kwaliteit zijn alleen wel veel minder.
De rivierbedding van de noordelijke route is alweer begaanbaar gemaakt. De kortere route is nog onbegaanbaar. Maar we kunnen weer op pad. De onverharde landelijke paden zijn iets wat we in Nederland niet kennen. Het vraagt een kwartiertje hobbelend geduld maar oh, wat is de omgeving mooi.
Het voorjaar is begonnen met bloesem in de bomen, wandelen in t-shirt met korte mouwen en na de wandeling in de middag buiten een drankje drinken. Wat wil je nog meer.
Gerlinde Zoodsma
17 februari 2026