Terug in Nederland

Dreas bindt het zeil op de giek vast, ik stuur El Galante tussen de havenhoofden door naar het oosten. Voor ons wordt het langzaam licht. Bij het ochtendgloren varen we bij IJmuiden naar binnen. Dat was de oceaan, dat was de zee, dat was de zeiltocht.

We roepen op, de sluis gaat voor ons open. Een sluis. Na jaren varen we weer een sluis in. Ik wil foto’s maken voor Antonio, onze Spaande vriend. Het is hier in Nederland zo anders dan op de Canarische Eilanden.

Groen, groen, groen is het om ons heen en we horen heel veel vogels. Na weken zien we weer veel auto’s en in het Noordzeekanaal varen enorme tankers en slepers. Sturen op de stuurautomaat blijkt bij de Amsterdamse ferry’s niet geschikt. Snel neemt Dreas het stuurwiel en ontwijkt ze alsof het overstekend wild is.

Nog een sluis en een brug en dan varen we het bruingroenige water van het Markermeer op. Het voelt onwerkelijk. De omgeving is zo totaal anders dan waar we vandaan komen. Het is bekend en tegelijkertijd voelt het vreemd. Een beetje wereldvreemd. 42 dagen lang zijn we niet van boord geweest, niet aan de wal geweest.

Dreas maakt nog één keer tosti’s. De laatste delen we. De kaas is nu ook op. We rollen de genua uit en Hoorn komt langzaam dichterbij. Een mengeling van verbazing, vreugde en weemoed. Vlak water afgezoomd met dijkjes en boompjes. Alles lijkt pieterpeuterig klein.

Eenmaal in de havenkom zien we opeens een groepje mensen rennen op de steiger. Volwassenen, kinderen, een kinderwagen. Een spandoek gaat omhoog. Ik hoor stemmen. Ik herken stemmen. Tranen vullen mijn ogen. Een steiger vol met mensen waar ons hart zo vol van zit. Dé reden om terug naar Nederland te zeilen en kijk ze daar nou eens. Wat een verrassing. We gebaren dat we achterin een ligplaats hebben.

‘Wat doe je nou ?’, zeg ik. ‘We zitten vast”, zegt Dreas.
Achteruit gas geven en we zijn weer los.
‘Dan eerst maar aan die lange steiger’, zegt Dreas.
Weer vast. Muurvast. Dit keer moet de genua erbij om de boot schuin te trekken zodat we weer los komen.

In 42 dagen van de Canarische Eilanden naar Nederland. We vertrokken, zeilden, ankerden, wachtten op goed weer en vertrokken weer. En in Hoorn lopen we aan de grond. We gooien opnieuw het anker uit, Dreas pompt snel de rubberboot op en zo roeien we naar de kant.

Het is het eerste corona-weekend dat de horeca haar terrassen weer open mag. Hebben wij even geluk. Het ziet er wat raar uit voor sommige andere terrasbezoekers. Maar na 42 dagen quarantaine en bijna negen maanden elkaar niet in het echt zien, houden we elkaar stevig vast en zoenen we.

42 dagen
Het is moeilijk uit te leggen wat lang en zwaar weer zeilen met je doet. Het dagritme is niet anders dan eten, drinken, slapen en zorgen dat je voortgang maakt in de juiste richting. Tot het Kanaal is er heel weinig scheepvaart. Hoe minder, hoe fijner. We zijn gewoon samen op zee en hebben het samen goed.

Afhankelijk van hoeveel wind en golven er zijn, is het meer of minder aangenaam aan boord. Niet alleen  omdat met zwaarder weer mijn zeeziekte opspeelt of het lastiger is om eten te maken, we ervaren beide met zwaarder weer veel meer kopzorgen. Zorg voor de spullen, blijven we zelf goed functioneren, hoe lang blijft deze wind, gaan er geen dingen kapot, wat is dat geluid en ga zo maar door.

We hebben beiden veel besef van dat ons hoofd soms een beetje op hol slaat, dat de processen die zich in ons hoofd afspelen, heus niet allemaal echt hoeven gebeuren. Maar het zou wel kunnen.

Er is geen afleiding van de telefoon, nieuws, andere mensen. Het is alleen wij samen en de boot.  Alsof veel afdeklagen van het gewone leven wegvallen en alles veel dichterbij en directer binnenkomt. Onzekerheid, kwetsbaarheid, spanning maar ook dankbaarheid, blijheid en natuur komen veel directer binnen.

Ik besef me dat ik afhankelijk ben van Dreas zijn fysieke kracht en zijn inhoudelijke en technische kennis en vaardigheden. Ik ben fysiek niet zo sterk, technisch niet zo handig en vaak zeeziek. Totaal horizontaal moeten liggen en overgeven is dan nog niet het ergste. De staat waarin ik in een soort van murwheid en onverschilligheid kom, is het ergst. Zelfs een haven binnenlopen, kan me dan niet meer blij maken. Ik wil dan alleen nog maar met rust gelaten worden.

En toch. Het diepe voelen dat je leeft. Het zo dicht op en in de natuur zijn. Samen dagen, weken zonder afleiding op ons ‘eiland’ zitten. Wat zou ik graag dat weer ervaren. Alsof er veel meer contact is met ‘the pulse of life’. En er in het leven op de wal een laagje overheen komt, een soort van afdeklaagje wat dat diepe levensgevoel doffer maakt.

Toch weer het water op
Ik zie een rimpeling in het water. Hé, een dolfijn flitst door mijn hoofd. Maar nee, natuurlijk niet. We komen net de sluis uit, hebben het Markermeer met haar fonteinkruid achter ons gelaten en varen door groen algenwater het IJsselmeer op.

Na twaalf dagen voor anker verhuisden we half mei naar een andere haven in Hoorn. Toen het uitbaggeren klaar was konden we naar onze ‘vaste ligplaats’. Drie weken heeft dat verblijf geduurd.

Dreas is inmiddels aan het werk als interim vestigingsmanager. Het kwam op zijn pad. Nu we toch in Nederland zijn, kunnen we beter maar weer wat geld verdienen. Om reistijd te beperken, zijn we weer gaan verplaatsen.

Waarvoor we terug naar Nederland gingen en waar we ten volste van genieten, is met en bij de kinderen kunnen zijn. Gewoon je dochters kunnen vasthouden, spontaan helpen bij een verhuizing, in het echt op verjaardag kunnen, met kleinkinderen een nachtje kamperen en oppassen op de allerkleinste.

Er zal zich vast weer een nieuw avontuur aandienen voor ons als reizigers, vrijheidsliefhebbers, levensavonturiers en ondernemers. Het verlangen naar zoveel mogelijk vrijheid blijft. Het verlangen naar rust, ruimte, natuur, zon en warmte ook.

Maar voorlopig zijn we in Nederland.